Luc C. Martens

 

 

Port au Prince

Reisgedichten

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Port au Prince (Haïti-2010)

 

If God exists,

I hope he had a good excuse  (Woody Allen)

 

 

sliep je toen de aarde hun bed nam,

hun thuis, hun kruis, hun geliefden ?

waar was je voor losgeslagen armen,

handen, verkrampt in hun laatste gebed ?

 

wilde jij dit gebroken staal, dit beton

dat ontwapend zwijgt in een valse stilte ?

wilde jij in  dode ogen het gestold verhaal

van vijftien lange seconden ?

 

geen honden voor de wonden.

het oogwit vergroot, zwart gebrand

van dit geschokte land ligt hun taal

van broze hoop onder jouw kathedraal

 

in deze haven van bedrog

werden zij puin van jou

 


 

naar boven

 


 

BRAZILIE
 

a. avond in Parati

de gouden schoener ankert
onze houten gezichten.
brandend, de zoektocht
tussen versteende, verloren balen;
koffie is de weg verloren

in de tijd teruggezet
stappen wij de koloniale stenen
van vergeten straten waarin
verhandeld, vrij gemetseld werd
bij het zingen van gitaren

lijkt de gouden haven herboren
zonder verbitterd hart
van de limoen zingen wij,
drinken wij voor jou
de caiparinia, para ti





 

b. Pelourinho (Salvador di Bahia)


de schandpaal verlaten
nemen wij de mooiste foto’s
van daken en kerken die zwart
de slavernij uitschreeuwen

beschaamd om het bloed van Afrika
dat puur nog de capoeira danst
of gemengd met vele kleuren
luiert op het ritme van polè polè

Pelourinho,
waar het convento de San Franzesko
ons verblindt, Franciskus zijn sandalen
zoekt, buigt onder een gouden pij
en het stigma van zijn Heer

Pelourinho,
waar engelen niet onzijdig zijn
en nooit blond. waar de misdaad
wordt bewaakt, men wacht
op blanke heiligen met zwarte baby’s.
 
c. Corcovada (Rio de Janeiro)


de bultenaar knipoogt
naar de blonde die uitgestrekt
jonge moeders ontvangt, mij
koffie schenkt op suikerbrood

zeepsteenogen waken over
de heuvel van vroeger verderf,
houden het evenwicht tussen sloppen
en rijken, bossen en stranden

boven de rivier van januari.










 
d. Iguacu falls


waar mijn woord niet wordt gehoord
ik, al mijn kracht van de natuur verloor
waar vogels onbegrijpbaar vallen
hoog, van beangstigend water

daar hoor ik de helse stilte,
ademt mijn hart vochtig de kilte
daar werd van de duivel genoten
beschermd door de diepste regenbogen.












 


DE DANS DER DWAZEN

 

a. in Afrika


we meren aan in donker licht
van duizend sterren, honderd fakkels
verplicht bezoek aan zwart gezicht
van het dorp dat weer ontwaakt

op het ritme van djembés
dansen barvoetse vrouwen
de dans van de pelikaan
alsof het hun laatste was

geschoeid bewegen wij op zand,
swing, quickstep-slow of foxtrot;
de kalabas verliest zijn kadans
in onze dans der dwazen.

 
b. in Japan


witte hemden, zwarte broeken
halen de ochtend in
op het ritme van elk voetpad
beweegt een duizendpoot

niemand struikelt, niemand valt
niemand te laat, niemand kwaad
in een gespleten wereld
vol rauwe, korte klanken,
de glimlach verkrampt

witte hemden, zwarte broeken
lopen voor de avond uit,
dansen op elk zebrapad
de dans der dwazen.
 
c. in het Midden-Oosten


tussen zand, versteende rozen
dragen woestijnschepen hun water
voor thee onder dak van nomaden
of voor grillen van oliesjeiks

die hun dure ogen laten wennen
aan het groen van echte bomen,
bevloeid met kilometers water
geruild voor olie in de pijp.

op tapijten tussen vele kussens,
door appels en tabak verleid, lurk ik
op het ritme van het noorden de waterpijp,
dans veel te vroeg de dans der dwazen.